Youssef

Er zijn niet alleen het drietal huizen die gebouwd zijn met takken en doeken. Ik zie nu dat er ook een klein lemen huisje is. De chauffeur legt uit dat één grote familie hier woont en samenleeft.  Wanneer ik dichterbij het lemen huisje ga, komen een zestal mannen het huisje uit. Ze zijn zichtbaar nieuwsgierig en verrast over mijn aanwzigheid. Een babbel met de chauffeur en het is duidelijk dat we welkom zijn en mogen binnengaan.

De woning bestaat uit één ruimte waar drie ijzeren bedden en een oranje tuinstoel staan. Er zijn vijf mannen aanwezig in het huisje, en de chauffeur en ik mogen gaan zitten op het touwenbed waar nog niemand op zit. De mannen kijken nieuwsgierig en toch vriendelijk naar mij.  Ze zijn ongetwijfeld minstens even  nieuwsgierig naar mij als ik naar hen. Tegen de verste muur zit een oudere, zeer magere en blijkbaar zieke man. Bij het rechtop zitten heeft hij ondersteuning nodig. Het is zijn zoon die naast hem zit. Eén van de mannen geeft uitleg en de chauffeur vertaalt dat de andere mannen buren zijn die op bezoek zijn. Ze hebben allen iets meegebracht voor de zieke; de ene bracht dadels, de andere had een emmertje met een of andere bruine eetbare pasta mee, en nog een ander had mineraalwater meegebracht. En ze hebben aan de zieke man aangeboden om te helpen als dat nodig mocht zijn. Vriendelijke buren zijn dat. Ik vraag me af waar ze wonen: een paar minuutjes rijden, een half uur, verder…? Er is in de omgeving geen huis te zien en wat later, wanneer we wegrijden, zien we het eerste uur geen enkel ander teken van menselijke aanwezigheid.  Hoewel er niets anders is dan zand en stenen, en stenen en zand, schuiven weer schitterende landschappen aan ons voorbij in deze immense Bayudawoestijn. We volgen geen weg, want er is er geen. Er zijn zelfs geen sporen in het zand en toch blijkt de chauffeur te weten waar hij moet rijden. Saddam heet hij. Onze kok, die straks weer een maaltijd tevoorschijn zal toveren, heet Osama. Ik ben toch even verrast van de twee weliswaar gekende voornamen. Ik zeg mijn voornaam, maar laat blijken dat ‘José’ gerust ‘Youssef’ mag worden. “As-salaam Alaikum Youssef” zegt de kok.  Het is de eerste keer dat hij iets zegt tegen mij.  En ik tegen hem.   Straks zal hij weer met weinig middelen een maaltijd klaar maken.  Ik denk aan de oude zieke man: moest ik hem ook iets aangeboden hebben?  Iets om te eten?  Ik denk – te laat – dat ik dat beter gedaan had.

Youssef in Soedan